Wie zoekt naar een verpersoonlijking van levenslust en vriendelijkheid, vindt Mariana de Cádiz, geboren Cornejo. De havenstad Cádiz is overal in Spanje bekend voor zijn “gracia”, een woord met heel wat betekenissen: charme, vrolijkheid, geestigheid, innemendheid. Mariana heeft de gracia van Cádiz, al van kindsbeen af. Haar oom, Canalejas de Puerto Real, in die tijd een koning van de flamencospektakels, was gek op haar gracia en leidde ze op in de flamenco. Ze was nog piepjong, maar de cantes van haar streek werden diep in haar wezen gegrift, voorgoed. Cádiz’ grootste namen van toen wilden haar hogerop in de flamenco sturen, Aurelio Sellé wou ze mee naar Madrid nemen, La Perla de Cádiz wou haar zanglessen geven, maar Mariana’s familie stak daar een stokje voor. En toen ze trouwde was haar man het artiestenleven niet gunstiger gezind. Maar een tiental jaar verder, rond 1980, werd ze door dichter Antonio Murciano onder de arm genomen. Hij was in de ban van haar kennis van de gaditaanse cantes en introduceerde haar in flamencomiddens. Zo liet hij haar aan flamencowed-strijden deelnemen waar ze de cantes van haar streek verdedigde. Met succes, want in 1986 kreeg ze alle aandacht van pers en publiek met haar prijzenoogst. Twee jaar nadien kwam haar eerste elpee uit: “Cosas de Cai”, een hulde aan Cádiz en zijn volkswijken. En telkens als een producer gaditaanse zangen nodig had werd ze uitgenodigd aan verzamelwerken mee te werken (“Fiesta en Cádiz”, “Dos mundos cantan”, “Villancicos del Barrio de Santa María”, “Historia del flamenco”… maar ook “Siguiriyas”). Dan volgden de cd’s: “Tela Marinera”, met vooral cantiñas, en “De Cai a Belén”, met villancicos, kerstliederen met flamencoritmes.
Weinig flamencozangers kennen zo grondig de cantiñas als Mariana. Dat is een algemeen woord voor gaditaanse streekzangen: vooral alegrías, romeras, mirabrás, caracoles. Maar de al genoemde Murciano selecteerde een twintigtal varianten, die hij Mariana allemaal liet opnemen (“Cádiz por cantiñas”). En er zijn er nog! verzekerde zij. Zij had reeds de in onbruik geraakte rosas nieuw leven ingeblazen (en opge-nomen in “Tela Marinera”) maar ook oudere volksthema’s opgepoetst. Typisch voor al die cantes is hun ritmische levendigheid, en daarin schittert Mariana. Zoals ze ook in de tanguillos (Carnavalstijlen) ongeëvenaard is. Ze kreeg dan ook de stempel cantaora festera (zangeres gespecialiseerd in feestelijke genres) op zich gedrukt. Dat is inderdaad haar hoofdrepertoire, maar ze legt zich ook al lang toe op cante jondo (diepe zang), vooral op de siguiriya, waarin ze eveneens haar mannetje staat.
André Fonteyne
Cuadro :
Mariana Cornejo (zang)
Pascual de Lorca (gitaar)
Macarena Ramirez (dans)
Diego Montoya (percussie)
|